|
Kleine tot middelgrote hond met
goede verhoudingen; krachtig gebouwd,
het uiterlijk van een werkhond. De
vacht wordt gekenmerkt door een
dicht, krullend haar met een wollige
structuur.
Belangrijke verhoudingen:
De lengte van het hoofd is ongeveer
4/10 van de schofthoogte. De hond is
bijna even hoog als lang en maakt
dus een haast ‘vierkante’ indruk. De
lengte van de schedel moet meer dan
50% van de lengte van het hoofd
bedragen. De diepte van de borst is
circa 44% van de schofthoogte.
Hoofd en schedel:
De schedel is breed en van opzij
gezien langer dan de snuit. De stop
is niet duidelijk gemarkeerd. De
snuit is vrij breed met een recht
neusprofiel. De neusgaten zijn goed
geopend en beweeglijk. De kleur van
de neus varieert qua kleur,
afhankelijk van de kleur van de
vacht. De ogen zijn vrij groot, rond,
en staan ver uit elkaar. De kleur
van de ogen varieert van okerkleurig
tot hazelnootkleurig en donkerbruin,
afhankelijk van de vachtkleur. De
gezichtsuitdrukking is alert en
levendig. De middelmatig grote oren
zijn driehoekig met afgeronde tip,
zijn goed in verhouding met het
hoofd en hangen, maar worden iets
opgetrokken als de hond alert is.
Het haar is op de oren iets minder
gekruld, maar mag niet te kort zijn.
De binnenkant van de oorflap is wit
behaard. Compleet schaargebit; een
lichte ondervoorbeet is aanvaardbaar.
Romp:
Sterke, rechte rug met horizontale
bovenbelijning. Goed ontwikkelde
borstkas die tot de ellebogen reikt.
Hals sterk en gespierd, vrij van
enige keelhuid; lengt net iets
minder dan die van het hoofd.
Staart:
Noch te hoog, noch te laag aangezet;
spits toelopend. Reikt net tot aan
de sprongen als hij omlaag wordt
getrokken. In rust iets
omlaag-hangend, met omhoog gebogen
punt; bij alertheid soms boven de
rug gedragen, maar nooit gekruld.
Ledematen:
Voorbenen goed gespierd, verticaal,
met lange, goed naar achteren
geplaatste schouderbladen.
Voorvoeten iets gerond, compact, met
goed gebogen tenen. Achterbenen
krachtig, met goed gespierde
dijbenen. Achtervoeten iets meer
ovaal dan de voorvoeten, met iets
minder gebogen tenen.
Beharing:
Wollig van structuur, enigszins ruw
bovenhaar dat zeer dikke,
ringvormige krullen vormt; onderhaar
zichtbaar. De krullen moeten
gelijkmatig over het lichaam zijn
verdeeld, behalve op het hoofd, waar
de krullen losser zijn en
wenkbrauwen, een snor en een baard
vormen. Ook de wangen zijn bedekt
met een dichte vacht. De vacht moet
minstens eenmaal per jaar worden
geknipt om vervilting te voorkomen.
Vervilt bovenhaar en onderhaar
moeten geregeld worden verwijderd.
Kleur:
Effen vuilwit, wit met bruine of
oranje vlekken, bruingevlekt, effen
bruin (in verschillende tinten),
effen oranje. Sommige exemplaren
hebben een bruin of donkerbruin
masker. Nooit zwart of met zwarte
vlekken.
Schofthoogte:
Reu 43-48cm, teef 41-46cm
Gewicht:
Reu 13-16kg, teef 11-14kg
Fouten:
Elke afwijking van de voorgaande
punten moet als een fout worden
beschouwd en de beoordeling van de
ernst van de fout moet in verhouding
staan tot de mate waarin de fout
zich voordoet.
Opmerking:
De reuen moeten twee normaal
ontwikkelde, volledig in het scrotum
ingedaalde testikels hebben.
|
|